Catalogus

nieuwe zoekopdracht

[ meld een fout in dit record ]mandje (0): toevoegen | toon Print deze pagina

AMORAS onderwatercel: voortgezet onderzoek: evolutie topslib OWC 2015 – 2016, lospluimen en topslib Kanaaldok B1‐B2
De Maerschalck, B.; Claeys, S.; Verwaest, T.; Mostaert, F. (2017). AMORAS onderwatercel: voortgezet onderzoek: evolutie topslib OWC 2015 – 2016, lospluimen en topslib Kanaaldok B1‐B2. version 4.0. WL Rapporten, 16_010_1. Waterbouwkundig Laboratorium: Antwerpen. XIII, 32 + 65 p. bijlagen pp.
Deel van: WL Rapporten. Waterbouwkundig Laboratorium: Antwerpen, meer


Toegangsrechten: Niet publiek

Beschikbaar in  Auteurs 
Documenttype: Projectrapport

Trefwoord
    Baggerspecie
Author keywords
    AMORAS onderwatercel; Bezinkingsgedrag; Lospluimen

Contactgegevens

Opdrachtgever: Vlaamse overheid; Beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken; Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken; Departement Mobiliteit en Openbare Werken; Afdeling Maritieme Toegang, meer


Auteurs  Top 
  • De Maerschalck, B., meer
  • Claeys, S., meer
  • Verwaest, T., meer
  • Mostaert, F., meer

Abstract
    Onderhoudsbaggerspecie gebaggerd in de dokken van de haven van Antwerpen (Rechteroever) wordt gelost in de AMORAS onderwatercel (OWC), gesitueerd binnen het schuildok voor duwvaart, ten zuiden van de Lillobrug. Van daaruit wordt de specie via een zandafscheider naar de ontwateringsinstallatie gepompt voor verdere verwerking, zie Figuur 1 en Figuur 2 op pagina 2. De onderwatercel had bij oplevering een initiële capaciteit van ± 300.000 m³ en wordt afgeschermd van het Kanaaldok B1 door middel van een onderwaterdam van de bodem tot op -5 m TAW (± 9,2 m onder de waterlijn).

    Toen in 2014 na een periode van verhoogde aanvoer van baggerspecie werd vastgesteld dat slechts de helft van de aangevoerde ton droge stof door AMORAS verwerkt werd, startte het Waterbouwkundig Laboratorium (WL) in samenwerking met het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (GHA) en afdeling Maritieme Toegang (aMT) een onderzoek naar het gedrag van de specie in de onderwatercel (WL project 14_009: De Maerschalck et al., 2015). In die periode werd er aan een verhoogd tempo baggermateriaal aan- en afgevoerd. Op basis van in situ metingen (GraviProbe, RheoTune en bathymetrische peilingen) werd vastgesteld dat de originele capaciteit van de onderwatercel, ± 300.000 m³, sinds de ingebruikname van de cel significant afgenomen was tot minder dan de helft. Tevens werd vastgesteld dat in een periode van intense aanvoer van vers sediment de top van de sliblaag sneller steeg dan verwacht en op geregelde tijdstippen de rand van de onderwaterdam op -5 m TAW bereikte. Er werd vastgesteld dat in periodes van intensieve aanvoer tot meer dan 50 % van de aangevoerde specie door overvloeien van de onderwatercel in het naburige Kanaaldok B1-B2 terechtkwam.

    Op basis van het onderzoek werd geadviseerd om de onderwatercel opnieuw op diepte te brengen en de aanvoer van vers sediment beter af te stemmen op de verwerkingscapaciteit van de AMORIS.

    In het voorliggende vervolgonderzoek wordt de evolutie van het topslib in de onderwatercel verder opgevolgd. Ook het effect van het ruimen van de onderwatercel en de aangepaste stortstrategie werd geanalyseerd.

    Vanaf april 2015 werd het aanvoer regime naar de AMORAS onderwatercel sterk gereduceerd. Op basis van de aan- en afvoer gegevens in combinatie met single-/multi-beam peilingen en RheoTune prikken wordt geschat dat in de periode maart tot september 2015 het sedimentverlies afnam tot 30 % van de gestorte hoeveelheid TDS en in de periode oktober 2015 tot april 2016 tot 20 %. Einde 2015 tot en met februari 2016 werd de onderwatercel geruimd. In die periode werd er geen sediment aangevoerd door THVZ, wel beperkte hoeveelheden door GHA. Het gemiddelde peil in de onderwatercel (diepte 210 kHz reflector) werd verdiept van -8,5 m TAW tot ongeveer -10 m TAW. Lokaal werd de cel verdiept tot -12 m TAW. De oorspronkelijke opleverdiepte van de onderwatercel werd echter niet bereikt.

    Wanneer in april 2016 THVZ de aanvoer van vers sediment hervatte, werd door MDK Vlaamse Hydrografie de diepte van de cel en het topslib extra gepeild (multi- en single-beam peilingen in combinatie met RheoTune prikken). Er werd geconstateerd dat tijdens deze periode van aanvoer de top van de sliblaag opnieuw het niveau van de onderwaterdam bereikte. Het verlies werd opnieuw begroot rond de 30 %. Tijdens de daaropvolgende baggercampagne op 2 mei 2016 werd er door de baggertoezichthouder aan boord van MS Artervelde op toegezien dat de baggerwerken gestaakt werden van zodra dat de top van de sliblaag in de onderwatercel het niveau van de onderwaterdam bereikte. De diepte werd afgelezen op de sonar aan boord van de MS Artevelde. Uiteindelijk werd op het einde van de eerste dag na zes lossingen de campagne reeds gestaakt omdat het topslib de -5 m TAW bereikte. Er wordt geschat dat tijdens deze aanvoerperiode het verlies beperkt is gebleven tussen de 0 en 13 %.

    Tijdens de aanvoer van 2 mei 2016 werd tevens door het Waterbouwkundig Laboratorium een intensieve campagne georganiseerd om de stortpluimen tijdens en na het kleppen te monitoren. Specie werd aangevoerd door de MS Artevelde met een beuncapaciteit van 5400 m³. Er werd vastgesteld dat het AMORAS Onderwatercel - Voortgezet onderzoek: evolutie topslib OWC 2015 – 2016, lospluimen en topslib Kanaaldok B1-B2 IV WL2017R16_010_1 Definitieve versie volume van de aangevoerde specie tot een factor zeven toeneemt tijdens het kleppen in de onderwatercel. Er werd vastgesteld dat het niveau van de topsliblaag in de onderwatercel direct na het kleppen met wel twee meter steeg. In het eerste uur na het kleppen neemt door sedimentatie/consolidatie het niveau van het topslib geleidelijk af, ongeveer 1 m in het eerste uur na het kleppen, en neemt de gemiddelde densiteit toe. Naarmate de densiteit toeneemt, vertraagt het consolidatieproces. Na de tweede lossing neemt het volume in de onderwatercel weer sterk toe. De volumeafname in het eerste uur na de tweede lossing is echter beduidend trager dan na de eerste lossing, minder dan een halve meter in het eerste uur na de lossing.

    Op basis van volume topslib, ADCP backscatter en pompstalen werd geschat dat tussen de 10 en 25 % van de specie tijdens het kleppen in suspensie komt. Door de hoge concentraties ontstaat er een densiteitsstroming waardoor de pluim versneld uitzakt en zich horizontaal verspreidt in de onderwatercel. Wanneer het niveau topslib in de onderwatercel stijgt, is er minder ruimte voor deze sedimentpluim binnen de cel en zal zij zich meer richting Kanaaldok kunnen verspreiden.

    Op basis van het onderzoek werd een positieve trend vastgesteld wat betreft het reduceren van de stortverliezen. Dit werd vastgesteld zowel op basis van de SB/MB peilingen in combinatie met de RheoTune prikken als tijdens de intensieve monitoringcampagnes. Ook de analyse van de sliblaag in het naburige kanaaldok bevestigt deze trend. Het controleren van de diepte van de onderwatercel tijdens het aanvoeren van specie lijkt meest succesvol om overvloei te vermijden.


Alle informatie in het Integrated Marine Information System (IMIS) valt onder het VLIZ Privacy beleid Top | Auteurs 
IMIS is ontwikkeld en wordt gehost door het VLIZ.